Christus roept de doden tot opstanding

Derek Prince
*First Published: 2006
*Last Updated: maart 2026
3 min read
Gisteren lazen we Johannes 5:25:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven.
Jezus spreekt hier over de reactie van degenen die in de zonde dood zijn op de stem van Christus, die tot hen komt door de prediking van het Evangelie: wie hem (de stem) horen, zullen leven. Dat wil zeggen dat degenen die de boodschap van het Evangelie aannemen in geloof, daardoor vergeving en eeuwig leven zullen ontvangen.
Dit wordt bevestigd door het feit dat Jezus zegt: De tijd komt en is nu. De prediking van het Evangelie tot mensen die in zonden dood zijn, is reeds begonnen in de tijd dat Jezus deze woorden sprak.
We zien hier het contrast tussen deze woorden van Jezus en Zijn woorden in Johannes 5:28–29:
...de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis.
Deze passage verschilt in drie belangrijke opzichten van de vorige:
Jezus zegt, de tijd komt, maar Hij voegt daar niet aan toe, en is nu. Dat betekent dat de gebeurtenissen waarover Jezus hier spreekt, nog geheel in de toekomst liggen; ze zijn nog niet in vervulling gegaan.
Jezus gebruikt de uitdrukking, allen die in de graven zijn. Dit gaat duidelijk over degenen die letterlijk gestorven en begraven zijn. Verder zegt Hij dat deze allen, zonder uitzondering, zullen horen, terwijl Hij in de vorige passage over ‘de doden’ er op heeft gewezen dat sommigen zouden horen, maar niet allen.
In deze tweede passage gebruikt Jezus letterlijk het woord ‘opstanding’. Hij zegt dat allen die in de graven zijn zullen uitgaan... tot de opstanding.
Daarom komen we tot de conclusie, dat Jezus in de eerste passage spreekt over de reactie van degenen die geestelijk dood zijn in zonde, terwijl Hij in de tweede passage spreekt over de letterlijke opstanding van degenen die letterlijk gestorven en begraven zijn.
In deze tweede passage spreekt Jezus over twee verschillende aspecten van de opstanding: aan de ene kant de opstanding ten leven; aan de andere kant de opstanding ter verdoemenis. Dit komt overeen met de openbaring van het Oude Testament in Daniël 12:1-3. In elk van deze beide gevallen wordt in twee duidelijk te onderscheiden fasen gesproken over de opstanding: die van de rechtvaardigen en die van de goddelozen; en in deze beide gevallen gaat de opstanding van de rechtvaardigen vooraf aan die van de goddelozen.
Bovendien leren we uit de woorden van Jezus nog een volgend punt, dat niet in Daniël is geopenbaard: de stem die alle doden tot de opstanding roept, zal de stem zijn van Christus zelf, de Zoon van God.
*Prayer Response
O Heer Jezus, wat een geweldige openbaring, dat het Uw stem zal zijn die ons uit het graf tot leven roept; het is bijna niet voor te stellen, dat wij Uw stem zullen horen en herkennen. Wat een geweldige, heerlijke dag zal dat zijn! Amen.
Code: WD-B052-297-NLD